Subotica (Hongaars: Szabadka, voorheen: Maria-Theresiopolis) is een stad in Servië en Montenegro, in het uiterste noorden van de Backa (het centrale deel van de Vojvodina), aan de grens met Hongarije. De stad telt 104.547 inwoners.
De stad, die in een vruchtbare vlakte ligt, ontwikkelde zich pas na de Turkse tijd: in 1686 kwam de stad in Oostenrijkse handen. Keizerin Maria-Theresia gaf haar in dat 1779 de status van Vrije Koningsstad (die Novi Sad in 1748 ook gekregen had). In de tijd van de Dubbelmonarchie was de stad Hongaars. Ondanks latere Servische import wordt de stad nog steeds voor 50% door Hongaren bewoond (waarmee het een van de meest Hongaarse grote steden buiten Hongarije is). In 1920 kwam Subotica aan Joegoslavië. Het was toen de derde stad van het land (na Belgrado en Zagreb).

Reichle-huis
|
De bloeitijd van de stad lag tussen het midden van de negentiende eeuw (toen ze een spoorwegknooppunt werd) en 1920 (toen ze een grensstad werd). Dat is goed zichtbaar in de binnenstad, die wordt gekarakteriseerd door uitbundige gebouwen in Hongaarse jugendstil. De opvallendste vertegenwoordigers daarvan zijn het buitengewoon grote stadhuis uit 1908-1910 (architecten: Marcell Komor en Dezsö Jakab), de synagoge uit 1902 van dezelfde architecten en het Reichle-huis, dat is voorzien van keramiekornamenten uit de fabriek van Zsolnay in Pécs. De overdadige stijl van Subotica kan niet iedereen bekoren: Claudio Magris schrijft er in zijn beroemde boek Donau het volgende over: "Het lijkt een fascinerend onechte en tegen de goede smaak zondigende stad. De onechtheid schijnt de poëzie van Subotica te zijn” (Donau, 1997, uitg. Prometheus, vertaling van Anton Haakman).
Van de gemengde bevolking van Subotica moeten in het bijzonder de Boenjewatsen vermeld worden: dit zijn katholieke Bosniërs, die zich in de Oostenrijkse tijd in de stad en haar omgeving vestigden.